De erfzonde van de Europese democratie

De erfzonde van de Europese democratie_front

Laurent Hanseeuw is econooom voor Cushman & Wakefield en de ULB, Brieuc Van Damme is kandidaat voor het Europees parlement voor Open Vld. Ze zijn beide lid van De Vrijdaggroep en alumni van het Europacollege www.vrijdaggroep.be.

Jammer genoeg zijn deze Europese verkiezingen niet belangrijk, zo stelde de invloedrijke Wolfgang Münchau vorige week letterlijk in de Financial Times. Het parlement zet namelijk niet de fundamentele krijtlijnen van het Europese beleid uit, aldus de columnist. Dat democratisch deficit van Europa wordt regelmatig op de korrel genomen. Al decennia lang wordt Europa bekritiseerd om zijn gebrek aan transparantie en verantwoording tegenover de kiezer. Het vreemde is dat onveranderlijk naar dezelfde recepten wordt gegrepen om dit probleem op te lossen, ondanks een manifest gebrek aan resultaten. Met name: morrelen aan de werking van het Europees parlement en de Commissie.

Het parlement werd sinds haar oprichting in 1979 alsmaar belangrijker en op wetgevend vlak staat het door de beruchte ‘medebeslissingsprocedure’ al praktisch op gelijke voet met de Raad van Ministers. De participatiegraad aan de Europese verkiezingen is in dezelfde periode nochtans afgenomen. Het regent verklaringen voor dit fenomeen maar de meeste commentatoren zijn het er zoals Münchau over eens dat de fundamentele politieke koers van Europa niet of slechts in geringe mate door het parlement wordt bepaald. In die omstandigheden kunnen we het een meerderheid van de Europeanen niet kwalijk nemen dat de Europese verkiezingen hen maar matig interesseren.

Op grond van deze vaststelling hebben de Europese federalisten nu de Europese Commissie in het vizier gekregen. Het wondermiddel dat zij bedachten, is de rechtstreekse benoeming van de Commissievoorzitter. Door de link die zo tussen de Commissie en het parlement gecreëerd wordt, verwachten sommigen dat de Europese parlementsverkiezingen doorslaggevend worden voor de politieke koers die Europa zal varen. Het is namelijk de Commissie die het wetgevend initiatief neemt.

Dit zal echter een illusie blijken. In de wandelgangen wordt al gefluisterd dat de staatshoofden met deze kandidaten hoogstwaarschijnlijk geen rekening zullen houden. Weg link. Bovendien zal de Voorzitter niet over een groter initiatiefrecht beschikken dan zijn voorgangers.

Want de fundamentele politieke koers van Europa wordt noch door het parlement, noch door de Commissie bepaald. Zelfs in de hoogdagen van Delors had de Commissie niet echt de touwtjes in handen. Zoals Helen Drake in haar biografie over Jacques Delors uitlegt, toonde deze zich niet zozeer een hervormer dan wel een intelligent diplomaat.

De Amerikaanse politicoloog Andrew Moravcsik legt in zijn referentiewerk The Choice for Europe: Social Purpose and State Power from Messina to Maastricht, uit dat de Europese eenmaking slechts te verklaren is door het nationale belang van de staten die de Unie vormen. Daarom ligt het politieke zwaartepunt van Europa bij de lidstaten zelf, en de organen die hen vertegenwoordigen: de Raad van Europa voor de staatshoofden en de Raad van Ministers voor de specifieke beleidsdomeinen.

Vreemd genoeg zijn dit de enige instellingen waarvoor geen enkele wijziging met betrekking tot de benoeming of verkiezing van de leden wordt voorgesteld. Ofwel lijden onze leiders aan collectieve schizofrenie, ofwel geven ze blijk van een cynische hypocrisie.

De werkingsproblemen van de twee raden zijn nochtans bekend. Ondoorzichtigheid is de regel: wie weet hoe zijn ministers in de Raad stemmen? De raden behoren tot de uitvoerende macht – en dus zijn hun leden voor het merendeel niet rechtstreeks verkozen. Toch spelen ze ook de rol van een tweede Europees parlement terwijl ze zich enkel op het nationale niveau dienen te verantwoorden. Publiek noch electoraal erkennen of aanvaarden hun leden de verantwoordelijkheid voor de rol die ze spelen in het Europese wetgevingsproces en in de brede politieke koers die het continent vaart. Zonder rechtstreekse democratische controle kunnen zij ook niet ter verantwoording worden geroepen, ook niet nationaal.

Dit is de kern van de problematiek en we hoeven de redenen voor het democratisch deficit van Europa niet elders te gaan zoeken. Met enkele goedbedoelde, maar vooralsnog cosmetische ingrepen (de benoeming van de Commissievoorzitter, de relatieve bevoegdheidsuitbreiding van het parlement) zal daar niet snel iets aan veranderen.

Hoe kunnen we het blijvende democratische gat dan wel vullen? De notulen (en stemming) van de vergaderingen van de Raad zouden bekend kunnen worden gemaakt. De nationale parlementen zouden door de minister een verslag van de vergaderingen van de Raad moeten krijgen. Ook zou kunnen worden overwogen om de nationale parlementen in staat te stellen om een grotere controle uit te oefenen op de stellingname van hun minister, eventueel met een stemming in de respectievelijke nationale parlementscommissies over het te verdedigen mandaat in de Europese raden. De nationale parlementen zouden hun eigen afgevaardigden naar de raden van Europa kunnen sturen, op basis van een duidelijk mandaat. Parallel moet de Commissie zich omvormen van een technocratische bureaucratie tot een politiek orgaan dat de parlementaire meerderheid weerspiegelt, en moet de macht van het Parlement verder toenemen.